Abdijkerk van Mouzon MOUZON, een oude Keltische haven aan de Maas werd in Romeinse tijden een belanrijke etappe om de heirweg Reims-Trier. Benedictijnermonniken vestigden er zich in 971. De huidige vroegothische abdijkerk werd gebouwd van de 13de tot de 15de eeuw naar een plan dat sterk gelijkt op dat van Laon. Zoals overal in Frankrijk werd de abdij gesupprimeerd tijdens de Franse Revolutie. De kloosterlingen zijn nooit meer teruggekomen. De nog overblijvende kloostergebouwen worden vandaag gebruikt door de gemeentelijke administratie en de kerk die nog altijd "abbatiale" genoemd word, doet dienst als parochiekerk. Het orgel is hét pronkstuk van het kerkinterieur.


Christophe MOUCHEREL (1723-1725)

Barthélémy FORMENTELLI (1988-1991)

Het OrgelHet orgel van Mouzon werd gebouwd van 1723 tot 1725 door Christophe Moucherel. Geboren te Toul in 1686, aanvankelijk schrijnwerker, draaier en lettergieter, bouwde hij zijn eerste orgel in 1716. Toen hij in 1734 de opdracht kreeg om het monumentale orgel van de kathedraal van Albi te bouwen, had hij er reeds twaalf vervaardigd en werken uitgevoerd aan 25 andere. Na het beëindigen van Albi in 1737 bouwde hij nog orgels in de kathedralen van Castres en Narbonne en de abdij van Boulbonne. Vanaf 1761 verliest men zijn spoor.

In 1985 wordt beslist een integrale restauratie uit te voeren met reconstructie van de ontbrekende elementen volgens de principes van het tractaat van Dom Bédos uit 1766. Op dat ogenblik blijft er van Moucherels oorspronkelijk intrument niet zoveel meer over : het buffet, delen van de mekaniek, de pedaalwindladen, de Flûte 6' en 12' van het pedaal. Merkwaardig is de nieuwe windvoorziening met vier keilbalgen waarop geen ventilator werd aangesloten, maar die door een electrische motor worden bewogen, net zoals de orgeltrapper dat vroeger zou hebben gedaan. Windvoorziening én de nerveuze intonatie geven de organist alle ruimte om de aanspraak van de pijpen te controleren. Het "ademen" van de balgen is op stille ogenblikken in de opname te horen als een regelmatige zachte slag.

Het lag ergens voor de hand dat de werken werden toevertrouwd aan Bathélémy Formentelli. Die had tussen 1971 en 1981 met succes de retauratie van het orgel van Albi voltooid en was op die manier rechtstreeks in contact gekomen met het belangrijkste bewaard gebleven materiaal van Moucherel. Het werk in Mouzon duurde van 1988 tot 1991. Een project als dit in een provinciestadje in de Franse Ardennen kon maar tot een goed einde worden gebracht dank zij het enthousiasme en de blijvende inzet van de vereniging "Présence de l'Abbatiale".

Jan Van Mol

JAN VAN MOL

Jan Van Mol nam voor Pavane reeds orgelwerk op van G.A. Homilius en J.C. Oley. Beide producties kregen een ruime internationale weerklank. Hij is organist-titularis van het historische orgel van de Sint-Pauluskerk in Antwerpen en is leraar aan het Koninklijk Conservatorium aldaar. Hij concerteerde in vrijwel alle landen van Europa.


VLAANDEREN-Muziek 09/10/1998 : Jean-Jacques Beauvarlet-Charpentier

Journal d'Orgue, Jan Van Mol op het orgel van de abdijkerk van Mouzon, ADW 7385, Pavane Records, Ravensteinstraat 17, 1000 Brussel, 1997, DDD, informatief (F-E-D-N) inlegboekje (14 blz.).

Was Beauvarlet (1734-1794) één van de meest gevierde organisten van zijn tijd, op basis van de hier in wereldpremière uitgebrachte composities kan men hem bezwaarlijk ook één van de talentrijkste toondichters van zijn generatie noemen. Uit 7 van het 12 delen tellende Journal d'orgue à l'usage de paroisses et de communautés religieuses speelt J. Van Mol een selectie die een staalkaart biedt van het geheel. Ook uit de titels van verschillende stukken valt af te leiden dat zijn composities daadwerkelijk voor de liturgie bedoeld zijn (Elévation, Offertoire…). Men zou het, wanneer men de titels niet kent, nog niet zo gauw vermoeden. Vele stukken lijken triviale straatdeuntjes, vrij oppervlakkig geharmoniseerd, vol stereotiepe echo-figuurtjes, sentimenteel vaak ; kortom ze ademen een allesbehalve religieuze sfeer. Uiteraard is niet alles over diezelfde kam te scheren. Het Concerto de hautbois ou flûte bijv. is een prachtige voorbode van de latere symfonische orgelmuziek waarbij het orgel terzelfdertijd solist en orkest is. En vooral speelt Beauvarlet geïnspireerd in op de kleurenrijkdom die de Franse orgels van toen boden. Jan Van Mol vertolkt deze composities met grote accuratesse en zeer klare articulatie op het orgel van de abdijkerk van Mouzon (Fr.) gebouwd door Christophe Moucherel in 1723-25 en door Barthélémy Formentelli in 1989-91 gerestaureerd. JVH

Rudi JACQUES

Rudi Jacques is geboren te Namen in 1965 en beslist op 7 jarige leeftijd orgel te studeren. Tijdens zijn studies voor orgel, harmonie en geschiedenis aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel werkt hij tegelijkertijd aan orgelbouw in een kleine werkplaats te Dinant. Begeesterd door de oude muziek onderneemt hij vele reizen en verrijkt hij zijn kennis bij Xavier Darasse , Michel Chapuis en Harald Vogel. Hij krijgt een studiebeurs om te gaan studeren bij Bernard Lagacé te Montreal. In 1986 wordt hij laureaat van de "Stichting Roeping" en specialiseert hij zich in de werkplaatsen van Barthélémy Formentelli te Verona waar hij meewerkt op meerdere werkplaatsen voor herstelling van historische orgels in Frankrijk en Italië.

Organist en klavecimbelspeler onderwijst hij orgel aan de academie St-Grégoire te Doornik en orgelbouw aan het IFPME. In 1990 richt hij zijn eigen werkplaats op te Maurenne, een kleine wijk van Hastière-Lavaux in de oude school waar hij met drie medewerkers zoals vroeger orgels herstelt en (her)schept.

Als ambachtsman met volhoudend karakter heeft hij stevige opvattingen maar beschrijft hij zichzelf als een eenvoudige autodidact op zoek naar "het mooie werk". In zijn werkplaats heerst een speciale levensvreugde en werklust, beiden nodig voor scheppingswerk.

Voornaamste verwezenlijkingen:



Ontstaansgeschiedenis van het kleine orgel van Ganshoren.

door Rudi Jacques, orgelbouwer

Al is het een ambacht dat de wetenschap en de kunstzin van weleer buiten de tijd vereeuwigt, toch blijft het bouwen van een orgel vandaag een passie die moeilijk is om het anderen te laten beleven. Daarom staat het verhaal over het ontstaan van een orgel gelijk met het oproepen van twee levensjaren, van talrijke contacten, van banden die gesmeed werden in open en wederzijdse vriendschap maar ook van maanden atelierleven, van arbeid, samenwerking, uitwisseling van kennis en de gave van het beste van zichzelf. Evenwel heb ik het beleven van dit verhaal voor Ganshoren, bijna gemist. Inderdaad moet ik toegeven dat ik, toen ik in april 1997 een aanbod kreeg van de Kerkfabriek, die offerte tussen andere papieren in een lade heb laten glijden. Ik was het beu onpersoonlijke aanbiedingen te ontvangen, nietszeggende documenten. Na ingezonden bestekken, bijkomende uitleg en andere zendingen blijven die meestal onbeantwoord. Ik wou versnijden andermaal voor "utopist" te worden versleten: "Hoezo? Meer dan een miljoen investeren voor een orgel, wat denk je wel?"

Groot was mijn verwondering drie maanden later "een herinnering voor mijn vergetelheid" te ontvangen De omslag bevatte rechts het kenteken van "Sint-Cecilia" (patrones van de muziek) en op de keerzijde het adres van de voorzitter van de kerkfabriek "Johan Sebastian Bachlaan ". De leerling was geworpen. Ik moest alleen nog het beslissend element vinden dat moest dienen als basis voor gesprek. Onze inzet als vakman voor wie elk orgel uniek is, niet na te bootsen, niet vatbaar voor herhaling, tegengesteld aan rentabiliteitscriteria en andere verkooptechnieken, heeft nood aan een context, aan een architecturaal of een ander element om te kunnen scheppen. Een bezoek ter plaatse werd noodzakelijk en het was de zeer mooie akoestiek van het kerkgebouw dat mijn leidraad werd.

Wandelend door de moderne kerk van Sint-Cecilia, eenvoudig en discreet in haar opvatting, vatte ik het idee op een orgel in Italiaanse stijl voor te stellen die door haar warmte een "rode" toets zou brengen in dit oord met witgeschilderde muren. Hoe wonder dit ook mag lijken voor het oog van oningewijden, dit orgel heb ik van bij mijn eerste stappen in het kerkgebouw gezien zoals het vandaag hier voor u staat. Het verlangen een klein Italiaans orgel te bouwen gaat terug tot de eerste benadering van mijn vak in 1982 en ik blijf ervan overtuigd dat dit type orgel -meer dan welk ander ook- ideaal is om een katholieke eredienst op te luisteren.

Het zwaarste moest nog komen: de "orgelcommissie" van de parochie moest overtuigd worden zulk instrument te bouwen: een bescheiden kunstwerk, mooi om te bekijken, te bespelen en te beluisteren.

Gesterkt door de ervaring uit Verona, opgedaan tijdens mijn vorming bij Meester Formentelli waar ik tientallen kamerorgels had gezien stelde ik een gaaf klein orgel voor dat rekening hield met de financiële mogelijkheden nodig om een instrument te bouwen, het gebouw waardig, goed ingeplant, bekwaam de eredienst te verzorgen en tevens te dienen voor culturele lokale initiatieven.

Een van de vereisten van het project was de zachtheid van het instrument en het vermijden van het schreeuwerige karakter van sommige kofferorgels. Daarom nodigde ik mijn gesprekspartners uit het kleine orgel te komen beluisteren, toegeschreven aan de gebroeders Gheudes uit Lisogne (Dinant) waarvan de zachte en scherp afgetekende harmonie het belang openbaarde van "het Principaal van acht voet"als basis voor het begeleiden van de zang. Dit voorontwerp werd beslecht rond een overvloedige en wel overgoten maaltijd in een restaurant te Dinant nabij de Maas.

HISTORISCH CONTEXT

De Italiaanse orgelbouwers van het Noorden tot het Zuiden van het schiereiland hebben sedert de 14e eeuw tot en met het einde van de 19e eeuw, volgens hetzelfde middeleeuwse schema in overvloed kleine orgels gebouwd die dienden om verschillende koren en instrumentbespelers te begeleiden en die opgesteld waren op verschillende plaatsen van eenzelfde kerk. Zo was het niet uitzonderlijk per kerk twee, drie of vier orgels te vinden. Zelfs de meest eenvoudige kapellen of villa's van vooraanstaanden bezaten hun eigen orgel dat, dankzij het eenvoudig stevig en doeltreffend concept, nog tot op vandaag haast intact stand houdt. Het feit dat zij bovendien gemakkelijk konden vervoerd worden liet toe dat ze ook elders voor concerten konden gebruikt worden.

OPVATTING

Indien het orgel een prachtige mogelijkheid is om terug te gaan in de tijd zowel voor de ambachtsman als voor de muzikant, indien we ons herkennen in dergelijke ambachten waarin de hand van de mens, wonderbaar en onvervangbaar werktuig, op onnavolgbare wijze concretiseert wat de geest heeft ontworpen; toch was het niet de bedoeling voor Ganshoren een slaafse kopij te realiseren van een instrument maar wel zich in te schakelen in de lijn van een lange traditie die haar deugd bewezen heeft terwijl mijn persoonlijke smaak en mijn gevoeligheid er mocht in ontdekt worden.

Dankzij de veelvuldige voorbeelden van orgels te Napels gebouwd in de XVIIIe eeuw door de school van Antonio Rossi en rekening houdend met het financieel kader, heb ik een orgel ontworpen met 4 registers op basis van een principaal van 8 waarvan de eerste vijf pijpen getemperd en verheven zijn in de harmonische piramide van de Ottava 4' en van zijn octaaf de Décimaquinta (XVe). De Fluit van 4' brengt een andere kleur en kan ook gespeeld worden in een lager octaaf voor een zachtere begeleiding.

De relatieve hoogte van het instrument dat een halve toon lager klinkt dan ons modern diapason (A 415) is gelijkwaardig aan de instrumenten van die tijd en laat een "natuurlijke" omzetting naar beneden toe van de huidige liturgische gezangen gewoonlijk te hoog geschreven voor onze stemmen. Bovendien laat deze een volmaakte gelijkwaardigheid toe met de oude instrumenten gebruikt door vele barokorkesten.

Het gekozen temperament, Tartini Valotti (18e eeuw), heeft een kleur die toelaat te spelen in verschillende tonaliteiten en tegelijkertijd de waarde te doen uitkomen van de harmonische modulaties.

Om het repertorium uit te breiden hebben we het klavier verbreed door de eerste dis (re # ) te plaatsen, fis(fa # )en gis (sol # ) kruis alsook een uitbreiding tot de vijfde de (re). Het Italiaans pedaalklavier is een kopij van een model van orgelbouwer De Lorenzi (1850) waarvan de omvang gebracht werd tot de 3e re. 

SAMENSTELLING

Principaal 8' Flauto 4't Ottava 4' Décimaquinta 2' Diapason A 415 tot 12° Omvang van het klavier C-D-d'", 50 toetsen Aangehecht pedaalklavier C-D-d': 26 toetsen

Het instrument werd in de kerk geplaatst op het feest van de heilige Jozef, patroonheilige van de meubelmakers en beëindigd voor het Gloria van Pasen.

BESCHRIJVING VAN HET INSTRUMENT DEORGELKAST

In Italië is de orgelkast meestal een rechthoekig meubel bekroond met een orgelboog met sierlijst. De vorm van het instrument is geïnspireerd door de Napolitaanse school van de XVIIIe eeuw en is vervaardigd uit mooie "sylvester-den" uit de Vogezen,die op hoge hoogten groeit. Het hout werd met de hand geschaafd. Deze houtsoort is een mengeling van weelderige gele en rode kleuren evenals van houtweren die het mooier maken.

Het bovengedeelte is een kader samengesteld uit zwaluwstaarten. Het voetstuk is ineengezet met pinnen en schroefstukken.

De achterkant is eveneens vervaardigd uit den van de Vogezen en de basis van het klankgedeelte is overtrokken met een mooi doek. Vooraan zijn de eerste 19 tinnen pijpen van de principaal 8' geplaatst in de windlade van de kast. De eenvoudige maar verfijnde versiering van de orgelkast bestaat uit sierlijsten en latwerk met blader-en bloemmotieven in lindehout; de toetsen van het klavier zijn in notelaar. De kast, in tegenstelling met de primitieve geschilderde instrumenten, werd in haar natuurlijke tint behouden en werd gevoed met lijnolie en bijenwas.

DE LUCHTKIST

De luchtkist die al de pijpen schraagt en voedt is geheel gebouwd volgens de regels gangbaar in de 18e eeuw. Zij is in massieve eik gesneden uit het mooiste deel van de boom.Het geheel is bedekt met perkament. De kleppen zijn in dennehout en bedekt met lamsvel. Volgens de Italiaanse traditie is er geen herderstasje . Het is een dubbel lamsvel dat de luchtdichtheid waarborgt voor het trekken van de speelventiel dankzij een koperdraad in de kast. De valse luchtkisten in lindehout houden de pijpen op de goede hoogte, wat verschillende voethoogten vereist voor alle pijpen.

De speelventielen zijn in gesmeed geel koper . Het lijmwerk werd warm gerealiseerd met lijm van beenderen of van vel.

HET BINNENWERK VAN DE TOETSEN

De toetsen van het klavier zijn verbonden met de kleppen van de luchtkist langs een geelkoperen draad via een "abstracte" in gesmeed ijzer aan beide uiteinden die de beweging doorgeeft en de afstand inkort. Het kleine klavier is in droge den, beplakt met buksboom . De tussennoten zijn in notelaar en bekleed met buksboom en ebbenhout. Het fronton van de toetsen is bekleed met een gedraaid motief . Het pedaalklavier is in notenhout en de tussennoten in pruimelaar.

HET BINNENWERK VAN DE REGISTERS

De smeedijzeren registerknoppen zijn versierd met een zadelknop in geel koper en verbonden met de draaiende piloten, vastgemaakt aan de geleiders van de registers wat een minimum aan belasting oplevert.

DE WIND

De luchtkist wordt gevoed door een wigvormige blaasbalg op oude wijze gerealiseerd en volledig in lindehout. Deze, gedubbeld door sterk papier, heeft zijn luchtdichtheid gewaarborgd door artisanaal gelooid schapenvel en door perkament.

Deze blaasbalg is gevoed door een ventilator, enige toegeving aan de moderniteit.

De windpijp is in dennehout met papier versterkt en de "postages" van de houten pijpen zijn in lood gelast met twee krommingen. De wind heeft een drukking van 48mm op de waterkolom.

HETPUPWERK

De tweehonderd pijpen van het instrument werden in de werkplaats verwezenlijkt volgens de gangbare praktijken in het Italië van de 18e eeuw. Het metaal wordt in blad gegoten, daarna manueel gehamerd en vervolgens gepolijst. Eenmaal stevig worden de pijpen op de drevels geplaatst. De tinnen gevel werd eerst afgekrabt en nadien met de hand gebruind in de werkplaatsen van Formentelli te Verona.

Het inwendig pijpensysteem is in lood (6%) met uit zondering van het einde van de Principaal dat uit stof is (25%). De lippen zijn in lood. De 26 houtpijpen zijn in eik. Het gehele pijpwerk heeft bij de toon een kemspleet.

HARMONIE of geluidswonder, open weg naar het denkbeeldige.

Wanneer men de oude teksten bestudeert die handelen over de klankrijkheid van de Italiaanse orgels dan komt vooral het vocaal karakter op het voorplan. De harmonie van dit orgel is volgens de oude smaak behandeld met kracht en zachtheid (dulcis et sonoras) vrijmoedig en schitterend (Spicco),klaar en sprekend (Pronontia) doorschijnend en helderklinkend , vandaar de natuurlijke adem die uitgaat

Dit alles zou subjectief gebleven zijn waren er niet de Vlaamse karbonaden die mevrouw Hombergen met smaak had klaargemaakt als inleiding op de harmonie van de Principaals.

De fluit van 4'is breed en open, alleen de l e octaaf is gedekt.

De duidelijke en klare akoestiek van de Sint-Ceciliakerk draagt de klank die zich wonderlijk verspreidt. In de loop van de werkzaamheden werd het orgel ingesteld naar de verschillende hoeken van de kerk zodat de toehoorder er alle voordeel uit haalt.

VERDELING VAN DE WERKZAAMHEDEN

Rudi JACQUES : opvatting, plannen, samenstelling van liet buffet, constructie van het lijst\verk en van het pedaalklavier, harmonie vegen en in orde zetten van de werkplaats

Gauthier VAN ROSSEM : pijpwerk, "poslages", smeedwerk, voorbereiding op de harmonie en verschillende berekeningen op I/lOmm na

Stéphany KÜPPERS : liichtkist, klavier en houten pijpen - voorbereiding van "racletten", kaasfondues en andere chocoladegerechten'.

Marc MORANDI : realisatie van de orgelkast en meester-behanger

Ten slotte wil ik er graag van getuigen dat ik zelden een zo levendige en dynamische parochie-gemeenschap heb ontmoet als in Sint-Cecilia. Wat een geluk te mogen werken voor gemotiveerde mensen waar menselijke contacten een bron van vreugde zijn.

Ik dank de leden van de kerkfabriek alsook de heer Roland Servais die mij hun vertrouwen hebben geschonken en mij toegelaten hebben in alle vrijheid te werken. Gabriel Ringlet zei toch "De vrijheid is een kunstwerk, een mooi werk om iedere dag op het getouw te leggen".

Ik dank eerwaarde heer pastoor Van Calster voor de verleende gastvrijheid alsook de heer en mevrouw Hombergen en mevrouw Mireille Bonus (Von Karajan van Ganshoren !) voor hun sympathieke uitnodigingen en hun kookkunst. Ik dank uit de grond van mijn hart (en dit woord is zwak) mijn medewerkers die zich voor mij inzetten en mij ondersteunen bij de verwezenlijking van mijn projecten. Ik dank mijn Italiaanse vrienden Barthélémy, Giorgio en Romano voor hun raad en kostbare hulp alsmede Ricardo Lorenzini voor het opmetingswerk.

Moge dit kleine orgel, getuige van mijn enthousiasme en mijn passie, U voldoening schenken en bevorderlijk zijn voor ons cultueel, cultureel en artistiek patrimonium. Moge het "zaad" zijn tot gemeenschapsvorming en bron van schoonheid voor allen die het zien, beluisteren en mogen bespelen.

RJ

Waarom een pijporgel ?

Is het zinvol om in een tijd van hoogstaande technologie, waardoor de mogelijkheid geboden wordt van zeer precieze opnamen te maken, te investeren in een pijporgel, terwijl de elektronische synthesizer perfect de orgelklanken kan nabootsen ?

Het elektronisch apparaat en het mecanisch instrument zijn van totaal verschillende aard. Zij zijn met elkaar evenmin te vergelijken als een antieke waardevolle vaatwerkkast met een moderne keukenkast.

Het elektronisch apparaat is zeker aantrekkelijk : het biedt vele mogelijkheden, opties en faciliteiten. Maar het belangrijkste doel, de klankweergave, is arm. Het is een technisch opgebouwde klank, gestructureerd in deeltjes, zoals de kleuren op een affiche opgebouwd zijn uit punten, die je van kortbij kan waarnemen. Het oog en het oor nemen op, maar een koude indruk blijft nagalmen.

Bovendien komen de veelvuldige klanken van een synthesizer uit enkele luidsprekers, dit zijn spitsvondige kartonnen kegels, die nooit in staat zullen zijn de luisteraar te boeien.

De elektronische synthesizer is opgebouwd op dezelfde manier als de computer; namelijk ongelooflijk ingewikkeld en volmaakter maar van een beperkte levensduur. Geen enkele fabrikant van elektronische apparatuur kan een levensduur van meer dan l O jaar waarborgen. Het materiaal is reeds voorbijgestreefd enkele weken nadat het op de markt werd gebracht en de koopwaarde vermindert even snel als deze van een televisietoestel... Ten slotte en vooral is de synthesizer een serievoorwerp die een geweldige capaciteit bezit zonder zich echter aan te passen aan de plaats, gebruik en personen. Hij is onpersoonlijk.

Het pijporgel, aangekocht door de parochie van Sint-Cecilia, is duidelijk een kunstwerk. Het omvat 4 registers, maar elke pijp is ontworpen en geharmoniseerd voor deze kerk. De orgelkast is een handgemaakt kunstwerk en zoals elk voorwerp dat met de hand gemaakt werd, zal dit instrument niet alleen zijn koopwaarde bewaren maar zelfs verhogen. De samen-stellende elementen zijn uit duurzame materie vervaardigd : hout, vel, zink en lood. Met een minimum aan onderhoud kan een dergelijk orgel generaties meegaan.

Uit elk van de 200 pijpen kan een klankschoonheid groeien tot een harmonisch geheel. De orgelkast laat al deze klanken samensmelten om ze nadien in volle schoonheid in de ruimte te laten weergalmen.

Ten slotte en vooral de combinatie van deze pijpen -zo rijk aan zichzelf in de akkoorden of in het samenspel van de verschillende registers - maken de klankwereld van dit instrument letterlijk onuitputtelijk. Op de vraag die in het begin van deze tekst gesteld werd, zal je dan ook bevestigend moeten antwoorden en zeggen dat het zeker niet overdreven is zoveel geld uit te geven, zelfs de evenwaarde van een prachtige wagen, om te kunnen genieten van de hoge kwaliteit van de volkszang van een gehele parochiale gemeenschap.

Roland SERVAIS



Jean-Christophe LECLERE

Organist-titularis van de basiliek Notre-Dame de l 'Epine (F), Laureaat in 1994 van de internationale wedstrijd voor orgel te Brugge, Voorzitter van de Vereniging voor Oude Muziek in Champagne - Ardenne (F), Voorzitter van de Gewestelijke Federatie voor het orgel in Champagne - Ardenne (F)

Jean-Christophe Leclère, orgel, heeft een autodidac-tische vorming vervolledigd bij de belangrijkste persoonlijkheden van het internationaal muziekleven zoals Olivier Latry voor het orgel of Christoph Rousset voor het clavecimbel.

Hij nam deel als solist of als begeleider aan concerten of opnamen met de ensembles zoals Akademia (Regionaal vocaal ensemble van Champagne Ardenne (F), het Concert Brisé, het Barok-ensemble Pascal Collasse, de Académie Sainte-Cécile (F) : het strijkkwartet Temps van Brussel en de solisten zoals Catherine Greuillet, Jean Nirouët, Philippe Couvert, Aris Christofelis, Richard Walz.

Hij was organist gedurende twaalf jaar aan het historisch orgel van Saint-Maurice te Reims en hij oefent sedert 1983 dezelfde functies uit in de basiliek van L'Epine in Champagne (F) waar hij titularis is. Hij is dokter in de geneeskunde en osteopaat en hij schreef een studie en een thesis over de gezondheid van beroepsmusici.

DISCOGRAFIE

Orgelstukken en Franse motets van de XVIIde en XVIIIde eeuw op het orgel Moucherel (1725) van de abdijkerk van Mouzon (met Catherine Greuillet), Syrius Editie / Bloemlezing van alto-aria's der cantates van J. S. Bach, met Vanassay Khamphomala, kleine zanger van la Maîtrise de Haute Bretagne, BNL (te verschijnen).

Italiaanse duo's voor orgel van 1580 tot 1780 met Hadrien Jourdan, aan de historische orgels van San Petronio van Bologne, Sommacampagna, en Sant 'Elpidio a Mare, Syrius editie: '5 Diapasons' Februari 1997 / Lamentaties van Witte Donderdag van Joseph-Hector Fiocco (1730) Syrius editie: '4 Diapasons' september 1997.

Arnaud Décarsin, Hadrien Jourdan en Jean-Christophe Leclère hebben in Vertus (Marne) in september de eerste Franstalige opnamen (originele vertalingen van de heer Dominique Hoizet) van de bijbelse sonaten van Kuhnau (Syrius editie) gerealiseerd.

Hadrien Jourdan en Jean-Christophe Leclère, laureaten 1994 van de Internationale Orgelwedstrijd te Brugge hebben eveneens hun naam geplaatst op: " Duo's met twee orgels "(San Petronio van Bologna, Sommacampagne, Sant' Elpidio a Mare) in de verzameling 'Italiaanse orgelmuziek - vol V - (Syrius Editie)

" Toutes sortes de fantaizies " met twee en vier handen aan het historische Frans-Vlaamse orgel (XVIIde) van Regniowez.



 Vereniging van Oude Muziek in Champagne-Ardenne (F), Het Ensemble Pascal Collasse, en Concert van Reims, Académie Sainte-Cécile (F)

Philippe Couvert werd geboren in 1964 en is telg van een Savooise familie, waarin talrijke kunstenaars voorkomen. Hij studeerde viool bij de pedagoog Jean Lénert, harmonieleer, en het contrapunt in de klassen van Jean-Claude Reynaud en Jean-Claude Henry aan het Nationaal hoger Muziekconservatorium van Parijs.

Hij was Eerste solo-violist van de 'Grande écurie et la chambre du Roy' sedert 1986. Hij werd uitgenodigd door de beste formaties die speelden op de instrumenten van toen: 'de kleine band ; de lyrische talenten ; Ricercar consort ; Il fondamento ; het barok-ensemble van Limoges ; Hesperion XX ; de musici van het Louvre ; het collegium vocale van Gent'. Hij heeft nochtans niets verloochend van de jaren die hij doorgebracht heeft in het jongerenorkest van de Europese gemeenschap, samen met beroemde leiders (Claude Abbado, Léonard Bernstein, Sir Antal Dorati, Sir Georg Solti, Seiji Ozawa, Yuri Simoniv, György Ligeti) ; noch van de passie voor het trijkkwartet hem onderricht door Pierre Pénassou, vioolcellist van het Parrénin-Strijkorkest. Hij was violist, altist, vioolspeler in de meest diverse genres vanaf het einde der 16de eeuw tot op onze dagen. Philippe Couvert illustreert op een perfecte wijze de wil tot openheid die de nieuwe generatie van instrumentalisten kenmerkt. Het is in deze optiek dat de Académie Sainte-Cécile (F) ontstaan is. Ze verenigde enkele Franse vrienden of onderhorigen van de Europese Gemeenschap, die zich wilden inzetten voor een werk van lange adem inzake kamermuziek. Verzameld rond een trio (twee violen en een basinstrument) voor de barok-periode en rond een strijkkwartet voor de klassieke periode heeft dit ensemble zich regelmatig uitgebreid tot een effectief semi-orkest zonder leider, naar het voorbeeld van zijn voorlopers van weleer ; wat geen obstakel vormde voor de ontwikkeling van een waarachtige concerterende geest. De Académie Sainte-Cécile heeft zich reeds ingeschakeld in het kader van prestigieuze manifestaties in Frankrijk (Festival van oude instrumenten in Parijs ; het centrum van Barok-Muziek van Versailles ; muziek aan het 'hospice-comtesse' van Rijsel ; het lyrisch atelier van Tourcoing ; het festival van Clisson ; het theater 'Le Maillon' van Straatsburg ; het festival van gewijde kunst in Perpignan ; het festival van Mouzon) ook in het buitenland (het Minimenfestival te Brussel ; Musica Flandria te Brugge ; Aterforum festival te Ferrara) en dit alles alleen of in samenwerking met kunstenaars en koren met internationale bekendheid (Paul Badura-Skoda, Brigitte Balleys, Olivier Beaumont, het vocaal Ensemble van Nantes; het vocaal Ensemble William Byrd, Mirella Giardelli, Jean Guizerix, Peter Harvey, Barthold Kuÿken, La Maîtrise boréale, Guillemette Laurens, Dominique Michel, Davitt Moroney, Laurent Naouri, Sandrine Piau, Gilles Ragon, Jean-Claude Veilhan, Claude Wassmer, Anthony Woodrow).

De Académie Sainte-Cécile steunt op een actieve wijze de hedendaagse creaties en verzorgt de opdrachten van jonge Franse componisten (Olivier Bensa, Jacques Derégnancourt, Dominique Vasseur). Zij heeft meegewerkt aan choreografische realisaties (Die Sieben LeztenWorte Jesu Christi van Haydn / Bastin, Boivin, De Groat, Kelemenis, Larrieu, Raffinot, Tompkins, Verret, Pierrot lunaire van Schönberg / Fasoli). Zijn discografische productie, zeer eclectisch en algemeen geloofd door de gespecialiseerde pers, is voornamelijk aanwezig in de Edities Vérany, Syrius K617 en digitale afdruk.

De voornaamste leden van de Académie Sainte-Cécile, worden regelmatig gevraagd door de grootste Franse en buitenlandse vormingscentra (Stichting Royaumont ; Studio van musica antiga van Rio de Janeiro ; Studio van Barok-muziek van Versailles ; Nationaal conservatorium van de regio Rijsel) om deel te nemen aan seminaries, stages of masterclasses. Velen onder hen zijn verantwoordelijk voor klassen van instrumenten aan het conservatorium.

Discografische productie : Mölter : Concertos voor clarinet / Vivaldi : Concertos voor flagot / Telemann : Gevarieerde Concertos / Rossini : Sonates met vier / Benda : Concertos voor clavecimbel / Vivaldi : Concerti con molti strumenti / Bach : Cantates / Haydn : 'De laatste zeven woorden van Christus aan het kruis' / Biber : 'XV Sonates op de Mysteries van de Rozenkrans' / Biber : Harmoniæ Artificiosa / Bensa : Flamenga / Bach : Sonates voor viool en clavecimbel.


Writer : Jean-Philippe Gélu : jeanphilippe.gelu(at)orgue-mouzon.org

Webmaster : Amaël Potron : potronam(at)free.fr

(at) = @


Back to french versionBack to french version